Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 mei 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een strafzaak over medeplegen van moord en medeplegen van vuurwapenbezit op Sint-Maarten.
De verdachte was in voorlopige hechtenis en stelde cassatieberoep in tegen het hofvonnis. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwierp het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het hofvonnis niet tot vernietiging leiden, behalve voor de strafoplegging.
Omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 jaar naar 21 jaar en 10 maanden. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 11 mei 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 22 jaar naar 21 jaar en 10 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.