Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 mei 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van moord en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van het vonnis. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Wel heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 25 jaar naar 24 jaar en 10 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 11 mei 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 25 jaar naar 24 jaar en 10 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.