Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 mei 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag door een voorbijganger met een mes in de rug te steken. Het beroep in cassatie werd ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door zijn advocaat.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens. Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 25 mei 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.