Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 mei 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor poging tot doodslag in het verkeer, diefstal en een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte veroorzaakte met een gestolen taxibus een bijna frontale botsing met een motoragent en een flankaanrijding met een achtervolgende politieauto. In cassatie werden onder meer middelen aangevoerd over voorwaardelijk opzet op de dood, met name het welbewust aanvaarden van het gevolg en de aanmerkelijke kans op overlijden.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam niet leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, het arrest van het gerechtshof blijft in stand.