Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het negende cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
18 mei 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het maken van een gewoonte van witwassen van circa €360.000.
De bewezenverklaring betrof meerdere kasstortingen en overboekingen binnen een korte periode, waarmee verdachte en medeverdachten zich schuldig maakten aan witwassen. De verdediging stelde dat voor het bewezen verklaren van een gewoonte vereist is dat sprake is van een neiging tot herhaald witwassen, maar de Hoge Raad verwierp deze opvatting als onjuist.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door vertraging in de procedure, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden naar zesentwintig maanden.
De overige klachten van verdachte werden verworpen, waardoor het arrest van het hof grotendeels in stand bleef, behalve de strafmaat.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 18 mei 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van dertig naar zesentwintig maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; de bewezenverklaring van gewoontewitwassen blijft in stand.