ECLI:NL:HR:2021:737

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
14 mei 2021
Zaaknummer
20/00740
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 323 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie tegen arrest wegens gekwalificeerde verduistering door bestuurder charitatieve stichting

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor gekwalificeerde verduistering van een groot geldbedrag in dienstbetrekking als bestuurder van een charitatieve stichting. Het hof Amsterdam had de verdachte veroordeeld op basis van de feiten en het bewijs.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geconcludeerd dat de door verdachte verrichte uitgaven en opnames plaatsvonden op grond van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst, waardoor deze niet als wederrechtelijke toe-eigening kunnen worden gekwalificeerd. Verder was er geen sprake van opzet bij de verdachte. Voor enkele specifiek aangeduide uitgaven waren bonnen aanwezig die aantonen dat verdachte zich die bedragen niet had toegeëigend.

De Hoge Raad achtte het niet nodig om de klachten nader te motiveren omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep in cassatie werd verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor gekwalificeerde verduistering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00740
Datum18 mei 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2020, nummer 23-002955-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 mei 2021.