Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
18 mei 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor gekwalificeerde verduistering van een groot geldbedrag in dienstbetrekking als bestuurder van een charitatieve stichting. Het hof Amsterdam had de verdachte veroordeeld op basis van de feiten en het bewijs.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geconcludeerd dat de door verdachte verrichte uitgaven en opnames plaatsvonden op grond van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst, waardoor deze niet als wederrechtelijke toe-eigening kunnen worden gekwalificeerd. Verder was er geen sprake van opzet bij de verdachte. Voor enkele specifiek aangeduide uitgaven waren bonnen aanwezig die aantonen dat verdachte zich die bedragen niet had toegeëigend.
De Hoge Raad achtte het niet nodig om de klachten nader te motiveren omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep in cassatie werd verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor gekwalificeerde verduistering.