Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 mei 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde verduistering van een groot geldbedrag van een hoogbejaarde vrouw. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen in, gericht op bewijsvoering, medeplegen en strafmotivering.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering van het onvoorwaardelijke deel daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve voor de strafduur.
Vanwege het verstrijken van meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf van achttien maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) tot zeventien maanden en één week, eveneens met zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 25 mei 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot zeventien maanden en één week wegens overschrijding van de redelijke termijn.