ECLI:NL:HR:2021:761

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
23 mei 2021
Zaaknummer
19/01325
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 321 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen verduistering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde verduistering van een groot geldbedrag van een hoogbejaarde vrouw. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen in, gericht op bewijsvoering, medeplegen en strafmotivering.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering van het onvoorwaardelijke deel daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve voor de strafduur.

Vanwege het verstrijken van meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf van achttien maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) tot zeventien maanden en één week, eveneens met zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 25 mei 2021.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot zeventien maanden en één week wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01325
Datum25 mei 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 maart 2019, nummer 21/002310-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de hoogte van het onvoorwaardelijke gedeelte daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en één week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 mei 2021.