Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
1 juni 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verdachte veroordeeld voor belaging, handelen in strijd met gedragsaanwijzing en vernieling, en een gevangenisstraf van vier maanden opgelegd met terbeschikkingstelling en een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr).
De verdachte stelde in cassatie dat deze maatregel alleen kan worden opgelegd indien een reclasseringsrapport dit daadwerkelijk adviseert. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever weliswaar verlangt dat de rechter bij oplegging van de maatregel een recente, gemotiveerde risicotaxatie van de reclassering inwint, maar dat geen rechtsregel vereist dat het advies positief moet zijn.
De Hoge Raad benadrukte dat de maatregel een ingrijpend karakter heeft en een beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden vereist, waaronder het type delict en het recidiverisico. De rechter moet dus een zorgvuldige afweging maken, maar is niet gebonden aan een positief reclasseringsadvies.
Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. Hiermee is bevestigd dat de rechter discretionaire ruimte heeft bij het opleggen van deze maatregel, mits hij beschikt over een recent reclasseringsadvies met risicotaxatie.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 38z Sr en de rol van het reclasseringsadvies bij de oplegging van gedragsbeïnvloedende maatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de maatregel gedragsbeïnvloeding kan worden opgelegd zonder dat een positief reclasseringsadvies vereist is.