In deze strafzaak werd de verdachte verdacht van poging tot oplichting. Tijdens het hoger beroep verzocht de raadsman van de verdachte om teruggave van een bedrag van €40,- dat in beslag was genomen. Het hof Arnhem-Leeuwarden stelde vast dat het strafdossier aanwijzingen bevatte dat geld in beslag was genomen, maar oordeelde dat er geen rechtsbasis was voor een beslissing over het beslag omdat een officiële kennisgeving van inbeslagneming van het geld ontbrak.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een officiële kennisgeving niet doorslaggevend is voor de vraag of een goed in beslag is genomen. Het hof had daarom wel degelijk moeten beslissen over het verzoek tot teruggave van het geld. Het arrest van het hof werd daarom vernietigd voor zover het hof niet had beslist over het beslag.
De zaak werd terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden om alsnog een beslissing te nemen over het inbeslaggenomen geld. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang dat een rechter altijd moet beslissen over verzoeken tot teruggave van inbeslaggenomen goederen, ook als formele kennisgevingen ontbreken.