Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit verduistering.
De betrokkene, werkzaam als juridisch dienstverlener, werd verdacht van verduistering van voorschotten uit letselschaderegelingen ten behoeve van derden. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €46.971, gebaseerd op bewijsmiddelen waaronder het vonnis in de strafzaak en een rapport van de politie.
De Hoge Raad oordeelt dat de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd is omdat deze niet toereikend vermeldt welke bewijsmiddelen aan de schatting ten grondslag liggen en de inhoud daarvan, met name de redengevende feiten en omstandigheden. Dit is in strijd met artikel 511f Sv en eerdere jurisprudentie.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling met een deugdelijke motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de zaak wordt terugverwezen.