Uitspraak
wonende te [woonplaats], thans verblijvende te [verblijfplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 juni 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:5, onder b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kan worden verleend indien het verzoek daartoe niet uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging is ingediend. De rechtbank Rotterdam had een aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden verleend, ondanks dat het verzoek van de officier van justitie twee dagen te laat was ingediend.
De Hoge Raad stelt vast dat op grond van artikel 6:6, onder a, Wvggz de bestaande zorgmachtiging vervalt zodra de geldigheidsduur is verstreken, tenzij het verzoekschrift tijdig is ingediend. In dit geval was het verzoek te laat ingediend en was de bestaande machtiging reeds vervallen op het moment van de beslissing. Hierdoor kon de rechtbank niet rechtsgeldig een aansluitende machtiging voor twaalf maanden verlenen.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van 27 augustus 2020 en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling en beslissing. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige indiening van verzoeken tot zorgmachtiging ter voorkoming van onderbreking in de zorgverlening en waarborgt het recht van betrokkene op voldoende gelegenheid tot verweer.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam en wijst de zaak terug voor verdere behandeling.