Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 539 hennepplanten en het diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage in een bedrijfspand te Enschede.
Het hof baseerde zijn bewezenverklaring onder meer op de verklaring van verdachte over een vermeende onderhuurder die de hennepplantage zou exploiteren, alsmede op politieonderzoeken en een aangifte van het energiebedrijf Enexis BV over illegale elektriciteitsaansluitingen. Verdachte ontkende betrokkenheid en stelde dat hij niet wist van de hennepplantage en dat de stroomdiefstal door anderen was gepleegd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het de verklaring van verdachte over de onderhuurder als onvoldoende verifieerbaar beschouwde, terwijl deze verklaring essentieel was voor de bewezenverklaring. Daardoor kan niet zonder meer worden aangenomen dat verdachte opzettelijk de hennepplanten aanwezig had en de elektriciteit heeft weggenomen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring betreft en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en beslissing. De overige klachten in het cassatieberoep behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.