Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over het bezit van cocaïne en voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in cocaïne. De verdachte werd op 8 augustus 2018 aangehouden nadat hij door politie werd aangesproken bij een portiek waar hij zich zonder redelijk doel ophield. De politie stelde hem vragen over het bezit van verboden spullen en drugs zonder voorafgaande cautie.
Het hof oordeelde dat op het moment van de vragen nog geen redelijk vermoeden van schuld bestond, waardoor de opsporingsambtenaren niet verplicht waren de cautie te geven zoals bedoeld in artikel 29 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de vragen niet gingen over betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan de verdachte als zodanig was aangemerkt.
De Hoge Raad wijst erop dat artikel 29 Sv Pro de verdachte beschermt tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling en dat een verhoor pas aanvangt wanneer er een redelijk vermoeden van schuld is. De verdachte is niet in zijn belangen geschaad door het achterwege laten van de cautie in deze situatie. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen cautie nodig was bij vragen over bezit van drugs zonder redelijk vermoeden van schuld.