ECLI:NL:HR:2021:876
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens onvolledige betaling griffierecht
Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel. De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende op de hoogte van de verschuldigdheid van het griffierecht en gaf een betalingstermijn van vier weken. Het griffierecht werd echter niet volledig binnen deze termijn voldaan.
De griffier gaf belanghebbende de gelegenheid om te reageren op het niet volledig betalen van het griffierecht. De aangevoerde redenen door belanghebbende boden geen grond om het verzuim te verhelpen. De Hoge Raad benadrukte dat de gemachtigde of diens vennootschap niet als 'indiener' van het beroepschrift wordt gezien en dat het griffierecht verschuldigd is door degene namens wie het beroep wordt ingesteld.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het gelijktijdig instellen van meerdere beroepen tegen verschillende uitspraken op dezelfde datum niet leidt tot één gezamenlijke griffierechtbetaling. Ook is de griffier niet verplicht om een nieuwe termijn te stellen voor het betalen van het resterende griffierecht nadat een deel is voldaan.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten en restitueerde het betaalde griffierecht van €32 aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-volledige betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.