ECLI:NL:HR:2021:914
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-digitaal indienen
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het cassatieberoep was gericht tegen een uitspraak op verzet van 30 juni 2020. De Hoge Raad stelde vast dat het beroepschrift was ingediend door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener namens de cliënt.
Volgens het Besluit van 6 maart 2019, dat op 15 april 2020 in werking trad, is een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht om digitaal te procederen bij cassatieberoepen tegen uitspraken die op of na die datum zijn bekendgemaakt. In deze zaak was dat het geval, maar het beroepschrift was niet digitaal via het webportaal van de Hoge Raad ingediend.
De griffier heeft de indiener bij aangetekende brief verzocht het beroepschrift alsnog digitaal in te dienen binnen zes weken, maar hieraan is geen gevolg gegeven. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a, lid 5, Awb.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan de zijde van de wederpartij toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 11 juni 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet digitaal indienen van het beroepschrift.