Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en bedreiging. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat het hoger beroep te laat was ingesteld, naar aanleiding van de aanvang van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte aannam dat de verdachte op het moment van aanvang van de strafuitvoering op de hoogte was van de einduitspraak. Volgens artikel 408 Sv Pro moet het hoger beroep binnen veertien dagen na het moment dat de verdachte bekend is met de einduitspraak worden ingesteld.
De enkele omstandigheid dat de strafuitvoering was begonnen, betekent niet automatisch dat de verdachte voldoende geïnformeerd was over de aard en zwaarte van de opgelegde straf om het hoger beroep tijdig in te stellen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep.