Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
22 juni 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2019. De verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging in een uitgaansgelegenheid in Amsterdam en kreeg een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met vervangende hechtenis bij niet-betaling.
De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor zover de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel werd toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat de vervangende hechtenis onjuist was toegepast en verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2020:914) waarin is bepaald dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden vanwege de late aanlevering van stukken door het hof en de lange duur van de cassatieprocedure. Gezien de opgelegde taakstraf van zestig uren werd geen verder rechtsgevolg verbonden aan deze termijnoverschrijding.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de vervangende hechtenis betrof, bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel vernietigd; gijzeling van gelijke duur toegestaan.