ECLI:NL:HR:2021:961

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2021
Publicatiedatum
17 juni 2021
Zaaknummer
20/01479
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:307 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatieberoep inzake uitleg exploitatieovereenkomst en verjaring

De Gemeente Lansingerland stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin het hof de vordering van de Gemeente inzake een exploitatieovereenkomst had beoordeeld. De centrale vraag betrof de uitleg van de overeenkomst en de toepasselijkheid van verjaring op de vordering, met name artikel 3:307 lid 1 BW Pro.

De Hoge Raad heeft de klachten van de Gemeente onderzocht, maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. De Gemeente werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, waaronder verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Sieburgh (voorzitter), Wattendorff, ter Heide en in het openbaar uitgesproken door Kroeze op 18 juni 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Gemeente Lansingerland wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01479
Datum18 juni 2021
ARREST
In de zaak van
GEMEENTE LANSINGERLAND,
zetelende te Berkel en Rodenrijs,
EISERES tot cassatie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaten: J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/10/529613/HA ZA 17-616 van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018;
het arrest in de zaak 200.249.832/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 januari 2020.
De Gemeente heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de Gemeente heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 6.971,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
18 juni 2021.