Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
5.Beslissing
22 juni 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een verdachte in een Nederlandse strafzaak die in Spanje werd verhoord, recht had op bijstand van een Nederlandse advocaat in plaats van een Spaanse advocaat. De verdachte werd verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen door het vervoeren van grote geldbedragen binnen Europa. Het hof had geoordeeld dat de verdachte adequaat was bijgestaan door een Spaanse advocaat tijdens het verhoor in Barcelona, conform het Nederlandse rechtshulpverzoek.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen uitgesloten moesten worden omdat de verdachte niet door een Nederlandse advocaat was bijgestaan en dat er tijdens het verhoor ongeoorloofde druk was uitgeoefend. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de verdachte was gewezen op haar zwijgrecht en recht op advocaat, en dat de Spaanse advocaat adequaat rechtsbijstand had verleend. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat Richtlijn 2013/48/EU en andere rechtsregels niet vereisen dat een Nederlandse advocaat bij het verhoor aanwezig moet zijn als dit plaatsvindt in een andere lidstaat onder verantwoordelijkheid van die lidstaat.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte niet was geschaad in haar recht op een eerlijk proces, ondanks dat de Spaanse advocaat geen specifieke kennis had van het Nederlandse strafprocesrecht. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Wel werd het beroep gegrond verklaard op het punt van overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 naar 35 maanden.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 36 naar 35 maanden; het beroep wordt verder verworpen.