Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
De indiener van het verzet kan op grond van artikel 8:55, lid 4, eerste volzin, Awb de bestuursrechter vragen om in de gelegenheid te worden gesteld over dat verzet te worden gehoord voordat de bestuursrechter uitspraak doet. De bestuursrechter dient aan een dergelijk verzoek tegemoet te komen, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. Verder kan de bestuursrechter volgens artikel 8:55, lid 4, tweede volzin, Awb ook in de gevallen waarin de indiener van het verzet niet daarom heeft gevraagd, hem in de gelegenheid stellen te worden gehoord.
Grondrechten als de hiervoor genoemde zijn niet absoluut, maar kunnen onderhevig zijn aan beperkingen, mits deze beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang die met de in het geding zijnde maatregel worden nagestreefd, en uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep vormen waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. [6]
Procedurele autonomie houdt in dat wanneer Unievoorschriften op het desbetreffende rechtsgebied ontbreken, het een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten is om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten van de justitiabelen. Die procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).
Het Handvest noch artikel 6 EVRM Pro legt aan de rechter een absolute verplichting op om in alle gerechtelijke procedures een terechtzitting te houden. Of het recht om door de rechter te worden gehoord is geschonden, moet volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de handeling in kwestie, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie regelen. Een terechtzitting hoeft volgens deze rechtspraak in elk geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen. [7]
Artikel 8:54 Awb Pro is evenmin in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid. De toepassing van deze bepaling maakt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk.
Opmerking verdient nog (i) dat het rechtsmiddel van verzet openstaat tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, lid 2, Awb, (ii) dat de indiener van het verzetschrift op zijn verzoek in de gelegenheid wordt gesteld op een terechtzitting te worden gehoord, tenzij de bestuursrechter van oordeel is dat het verzet gegrond is, en (iii) dat de bestuursrechter ook de indiener van een verzetschrift die daar niet om verzocht heeft in de gelegenheid kan stellen op een terechtzitting te worden gehoord (zie hiervoor in 2.4.2). Van deze bevoegdheid moet de bestuursrechter gebruik maken in alle gevallen waarin het vereiste van een behoorlijk proces daartoe aanleiding geeft. [8]
Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.