Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
22 juni 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk telen van hennep en medeplegen van diefstal van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij.
De verdachte klaagde in cassatie over de bewezenverklaring van medeplegen en het gebruik van een verklaring van een medeverdachte, waarvan het hof delen onaannemelijk achtte. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest betreffende de strafoplegging en vermindering van de taakstraf van 180 naar 171 uren, met een subsidiaire hechtenis van 85 dagen.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad sprak het arrest uit op 22 juni 2021, gewezen door de vice-president en raadsheren.
Uitkomst: Taakstraf verminderd van 180 naar 171 uren wegens overschrijding redelijke termijn; beroep voor het overige verworpen.