Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
5.Beslissing
6 juli 2021.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 juli 2021 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 december 2018. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de duur door de Hoge Raad is verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden naar veertien maanden.
Daarnaast gaf de Hoge Raad uitvoerige opmerkingen over de wijziging van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) die per 1 juli 2021 in werking trad. Omdat de veroordeling door het hof voor die datum was uitgesproken, is de oude regeling van toepassing gebleven. De Hoge Raad verduidelijkte dat bij veroordelingen uitgesproken voor 1 juli 2021 de VI wordt toegepast conform de artikelen zoals die toen luidden.
De overige cassatiemiddelen werden verworpen zonder nadere motivering, aangezien deze niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en beperkte zich tot de strafvermindering.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.