Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
12 juli 2022.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een hoofdelijke betalingsverplichting van €113.671,04 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplegen van hennepteelt. Het hof baseerde deze hoofdelijke aansprakelijkheid op het feit dat betrokkene samenwoonde met haar echtgenoot, met wie zij een gezamenlijke huishouding voerde en een gezamenlijke bankrekening had.
De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit het arrest HR:2015:878 omtrent de toepassing van artikel 36e, zevende lid, Sr. Volgens deze jurisprudentie kan hoofdelijke aansprakelijkheid slechts worden opgelegd indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkenen gezamenlijk de beschikking hadden over de gehele opbrengst van het strafbare feit, en de betrokkene geen gegevens heeft verschaft die dit vermoeden ontzenuwen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk de beschikking had over de gehele opbrengst van de hennepkwekerij. Het samenwonen, het huwelijk, de gezamenlijke kinderen en een gezamenlijke rekening zijn onvoldoende om het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel toe te rekenen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de hoofdelijke betalingsverplichting.