De zaak betreft het beroep in cassatie van de Staat tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat de uitlevering van een Iraanse zakenman naar de Verenigde Staten verbood. De man wordt verdacht van betrokkenheid bij de uitvoer van dual use goederen naar Iran. Het hof oordeelde dat uitlevering disproportioneel was vanwege de ernstige beperkingen op het gezinsleven met zijn jonge dochter in Iran, met name het ontbreken van bezoek- en telefonische contactmogelijkheden.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte een belangenafweging heeft gemaakt waarbij het recht op gezinsleven zwaarder werd gewogen dan het legitieme belang van de Staat bij uitlevering. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geldt dat uitlevering slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan het recht op gezinsleven kan worden getoetst.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt hij de verweerder in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak benadrukt het belang van uitlevering in de internationale strafrechtelijke samenwerking en de restrictieve toetsing van het recht op gezinsleven in dat kader.