Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 september 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor poging tot het dwingen van een stagiair om ontslag te nemen bij een beveiligingsbedrijf door middel van bedreiging met smaad, zoals bedoeld in artikel 284 lid 1 sub Pro 2 Sr.
De verdediging voerde onder meer aan dat het hof zich ambtshalve had moeten uitlaten over het klachtvereiste en dat er een ernstig en rechtstreeks vermoeden bestond dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was. Tevens werd een bewijsklacht ingediend over de redelijkheid van een brief als bewijsstuk.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet nodig was dat het hof zich ambtshalve over het klachtvereiste uitliet, ook al had de raadsman geen verweer gevoerd, en dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoefde geen motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep werd dan ook verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.