Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.A.P. Nieuwenhuizen, heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hof uitspraak deed over het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen van de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven voor dit oordeel, omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard en de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €1.518 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens is een griffierecht van €532 geheven van de Staatssecretaris.
Het arrest is uitgesproken door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase op 9 september 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd.