Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:1173

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
8 september 2022
Zaaknummer
21/00676
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 5 RvArt. 438 lid 6 RvArt. 705 lid 3 RvArt. 118 RvArt. 1019h Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over dagvaarding geëxecuteerde bij opheffing conservatoir beslag

In deze zaak vordert RPM, eigenaar van een partij tabakssticks, de opheffing van conservatoir beslag dat Philip Morris heeft gelegd op die partij. Philip Morris had beslag gelegd op grond van een verlof dat zij had verkregen. RPM heeft alleen Philip Morris gedagvaard, niet de logistiek dienstverlener die als geëxecuteerde partij geldt.

De voorzieningenrechter wees de vordering af, maar het hof Den Haag vernietigde dit vonnis, hief het beslag op en verbood Philip Morris opnieuw beslag te leggen. Het hof oordeelde dat het niet dagvaarden van de geëxecuteerde niet leidde tot niet-ontvankelijkheid omdat de logistiek dienstverlener geen zelfstandig belang had.

De Hoge Raad stelt echter dat op grond van artikel 438 lid Pro 5 (oud) Rv, dat van overeenkomstige toepassing is op opheffing van conservatoir beslag, zowel de executant als de geëxecuteerde moeten worden gedagvaard. Omdat RPM de logistiek dienstverlener niet heeft gedagvaard, had het hof haar de gelegenheid moeten geven deze alsnog in het geding te betrekken via oproeping op grond van artikel 118 Rv Pro. Dit heeft het hof nagelaten, waardoor het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.

Het incidentele cassatieberoep van Philip Morris wordt verworpen. RPM wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, die worden vastgesteld op € 34.030,01. De zaak betreft een belangrijk aspect van beslagrecht en de procedurele vereisten bij opheffing van conservatoir beslag.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00676
Datum9 september 2022
ARREST
In de zaak van
PHILIP MORRIS PRODUCTS S.A.,
gevestigd te Neuchâtel, Zwitserland,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: Philip Morris,
advocaat: A.M. van Aerde,
tegen
B.V. ROTTERDAMSCHE PRODUCTEN MIJ.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: RPM,
advocaat: V. Rörsch.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/10/604415 / KG ZA 20-845 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2020;
het arrest in de zaak 200.285.257/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2020.
Philip Morris heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. RPM heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Philip Morris mede door N.M. Bilderbeek.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van RPM heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) RPM is een groothandelaar in consumptiegoederen.
(ii) Philip Morris is een tabaksproducent. Zij produceert onder andere tabakssticks die zij onder het merk HEETS op de markt brengt.
(iii) [de logistiek dienstverlener] B.V. (hierna: [de logistiek dienstverlener] ) is logistiek dienstverlener.
(iv) Philip Morris heeft informatie gekregen over een transport van een container met daarin tabakssticks van het merk HEETS (hierna: de partij). [de logistiek dienstverlener] was de consignee/geadresseerde van de partij.
(v) Philip Morris heeft verlof gevraagd en verkregen tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte ter vernietiging van de partij onder [de logistiek dienstverlener] als expediteur en douane-entreposeur of ten laste van [de logistiek dienstverlener] onder een derde. Op basis van dit verlof heeft Philip Morris beslag gelegd op de partij.
(vi) RPM stelt eigenaar van de partij te zijn.
2.2
RPM vordert in dit kort geding, voor zover in cassatie van belang, de opheffing van het beslag en een aan Philip Morris op te leggen verbod nogmaals beslag te doen leggen op de partij. Zij heeft alleen Philip Morris gedagvaard.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen.
2.3
Het hof [1] heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, het beslag opgeheven en Philip Morris verboden nogmaals beslag te doen leggen op de partij. Het hof heeft onder meer als volgt overwogen:
“4.3 In artikel 438 lid 5 Rv Pro, dat in artikel 705 lid 3 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard op vorderingen tot opheffing van een gelegd conservatoir beslag, is bepaald dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. Met dit voorschrift wordt beoogd de zelfstandige belangen van een geëxecuteerde te beschermen, welke belangen immers geenszins dezelfde hoeven te zijn als – en tegenstrijdig kunnen zijn aan – die van de derde die zich tegen executie of het beslag verzet. Het hof is van oordeel dat deze bepaling, niettegenstaande het feit dat RPM niet tevens [de logistiek dienstverlener] heeft gedagvaard, onder de gegeven omstandigheden niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van RPM in haar vorderingen. Het is immers buiten iedere twijfel verheven dat [de logistiek dienstverlener] geen enkel zelfstandig belang heeft bij de Partij, nu zij daarop geen aanspraak maakt en ook geen andere belangen van [de logistiek dienstverlener] daarbij zijn gesteld of aannemelijk geworden. Bovendien is de Partij direct na aankomst beslagen en in bewaring gesteld bij Top Logistics B.V. [de logistiek dienstverlener] heeft de Partij derhalve ook niet in haar macht, zodat – mocht daar al aanleiding voor bestaan – zij zich daarop evenmin jegens RPM zou kunnen verhalen.”

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.3) dat art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv onder de gegeven omstandigheden niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van RPM in haar vorderingen, ook al heeft RPM niet ook [de logistiek dienstverlener] gedagvaard. Het onderdeel klaagt in de kern dat het hof art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv onjuist heeft toegepast.
3.2
Art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv, thans art. 438 lid 6 Rv Pro, bepaalt dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. Op grond van art. 705 lid 3 Rv Pro is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op vorderingen tot opheffing van een conservatoir beslag.
3.3
Uit deze bepalingen volgt dat RPM in dit geding niet alleen Philip Morris (de executant) maar ook [de logistiek dienstverlener] (de geëxecuteerde) had moeten dagvaarden. Nu RPM niet ook [de logistiek dienstverlener] heeft gedagvaard, had het hof RPM de gelegenheid moeten geven om [de logistiek dienstverlener] alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv Pro binnen een daartoe door het hof te stellen termijn. [2] Dit heeft het hof ten onrechte nagelaten. De klacht slaagt.
3.4
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1
Het slagen van het middel in het principale beroep brengt mee dat de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, is vervuld.
4.2
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

5.Proceskosten in cassatie

5.1
Partijen maken over en weer aanspraak op een proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv. Op dit cassatieberoep zijn van toepassing de Indicatietarieven in IE-zaken Hoge Raad 2017. Er is geen sprake van uitdrukkelijke overeenstemming over de hoogte van de kosten als bedoeld in punt 4 van die indicatietarieven, zodat de toe te kennen vergoedingen aan de hand van de tarieven zullen worden bepaald.
5.2
RPM geldt zowel in het principale beroep als in het incidentele beroep als de in het ongelijk gestelde partij. Philip Morris heeft haar proceskostenvordering bepaald op het IE-indicatietarief voor een normale zaak en overeenkomstig dat tarief aanspraak gemaakt op in totaal € 33.000,-- (€ 30.000,-- + € 3.000,-- voor repliek; geen schriftelijk commentaar op de conclusie). De Hoge Raad is van oordeel dat het geding in cassatie valt in de categorie ‘normaal’ als bedoeld in de indicatietarieven in IE-zaken en zal het door Philip Morris gevorderde bedrag toekennen.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2020;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
in het principale en in het incidentele beroep:
- veroordeelt RPM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Philip Morris begroot op € 1.030,01 aan verschotten en € 33.000,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien RPM deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
9 september 2022.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2549.
2.Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, rov. 3.6.1.