ECLI:NL:HR:2022:1209

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2022
Publicatiedatum
15 september 2022
Zaaknummer
21/02913
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over duur arbeidsovereenkomst en verwijst terug

De werknemer trad op 18 december 2018 in dienst bij Logidist Transport B.V. als chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Partijen verschillen van mening over de duur van deze overeenkomst: de werkgever stelt zes maanden, de werknemer stelt ruim een jaar.

De werknemer vordert een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW Pro, stellende dat het contract tot 31 december 2019 liep. De werkgever betwist dit en stelt dat het contract tot 18 juni 2019 liep. In eerste aanleg wees de kantonrechter het verzoek van de werknemer af. Het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel, omdat de werknemer het originele contract niet in het geding had gebracht.

In cassatie klaagt de werknemer dat hij het originele contract wel degelijk op 2 februari 2021 ter griffie van het hof heeft gedeponeerd. De Hoge Raad stelt vast dat dit door de werkgever niet is betwist en dat het hof dit bewijsstuk ten onrechte niet heeft betrokken in zijn beoordeling.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Logidist in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/02913
Datum16 september 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaat: M. Littooij,
tegen
LOGIDIST TRANSPORT B.V.,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Logidist,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 7974327 UE VERZ 19-242 JD/40888 van de kantonrechter te Utrecht van 17 oktober 2019;
de beschikkingen in de zaak 200.272.425 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2020 en 12 april 2021.
De werknemer heeft tegen de beschikking van het hof van 12 april 2021 beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Logidist heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werknemer is op 18 december 2018 bij Logidist in dienst getreden als chauffeur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Partijen verschillen van mening over de overeengekomen duur.
(ii) Logidist stelt zich op het standpunt dat de overeengekomen duur zes maanden is en dat de overeenkomst is geëindigd op 18 juni 2019. De werknemer stelt dat is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 december 2019.
2.2
De werknemer verzoekt in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, Logidist op de voet van art. 7:681 lid 1 BW Pro te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.531,12. De werknemer heeft een kopie van een arbeidsovereenkomst overgelegd waarin staat dat de overeenkomst is aangegaan voor de periode van 18 december 2018 tot 31 december 2019. Logidist heeft een kopie overgelegd van een gelijkluidende arbeidsoverkomst, met dien verstande dat daarin staat dat de overeenkomst is aangegaan voor de periode van 18 december 2018 tot 18 juni 2019.
2.3
De kantonrechter heeft het verzoek van de werknemer afgewezen.
2.4.1
Het hof heeft bij tussenbeschikking [1] de werknemer toegelaten te bewijzen dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 december 2018 tot 31 december 2019. De werknemer heeft getuigen laten horen. Aan het slot van het proces-verbaal van het getuigenverhoor staat dat de advocaten de originelen van de arbeidsovereenkomst(en) ter griffie zullen deponeren.
2.4.2
Het hof heeft bij eindbeschikking [2] de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd en daartoe onder meer overwogen dat de werknemer het origineel van de arbeidsovereenkomst waarop hij zich beroept, niet in het geding heeft gebracht en niet geslaagd is in het aan hem opgedragen bewijs.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel klaagt dat het hiervoor in 2.4.2 weergegeven oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat de werknemer wel degelijk, op 2 februari 2021, het origineel van de arbeidsovereenkomst waarop hij zich beroept, ter griffie van het hof heeft gedeponeerd.
3.2
De klacht is gegrond. De werknemer heeft bij de procesinleiding in cassatie een kopie gevoegd van een akte van depot van 2 februari 2021, inhoudende dat de werknemer op die datum ter griffie van het hof (locatie Arnhem) een originele arbeidsovereenkomst heeft gedeponeerd. De inhoud van de depotakte is door Logidist in cassatie niet betwist. Daarmee staat vast dat de werknemer een ‘originele arbeidsovereenkomst’ bij het hof heeft gedeponeerd. Omdat het hof dit door de werknemer in het geding gebrachte stuk niet in zijn beoordeling heeft betrokken kan de beschikking niet in stand blijven.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
  • vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2021;
  • verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
  • veroordeelt Logidist in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 395,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
16 september 2022.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:11358
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3493