ECLI:NL:HR:2022:1253

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
18 september 2022
Zaaknummer
21/00943
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 311 lid 1 SrArt. 416 lid 1 sub a SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak zonder verdere gevolgen

In deze zaak ging het om een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor een reeks gekwalificeerde diefstallen en opzetheling. Het gerechtshof Den Haag had hem een taakstraf en jeugddetentie opgelegd. De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad behandelde twee cassatiemiddelen, waarbij het tweede middel slaagde: de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan zestien maanden uitspraak deed. Dit is in strijd met het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn.

Desondanks besloot de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen en geen verdere rechtsgevolgen te verbinden aan de termijnoverschrijding, mede vanwege de lichte straf van zes dagen jeugddetentie en een taakstraf van tachtig uur. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het arrest van het hof zonder strafvermindering.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige procedurele afhandeling, maar laat zien dat bij geringe sancties niet altijd een sanctie volgt op termijnoverschrijding.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder verdere rechtsgevolgen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00943
Datum20 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2021, nummer 22-001465-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes dagen en de taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen jeugddetentie zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 september 2022.