Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
20 september 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van vijf klagers tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam over een klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. De klagers maakten bezwaar tegen de vordering van hun klantdossiers bij een derde partij in het kader van een onderzoek naar frauduleuze belastingconstructies.
De rechtbank had geoordeeld dat de klagers niet konden klagen over de kennisneming en het gebruik van de verstrekte gegevens door de Belastingdienst. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd en het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de gronden van het oordeel nader te motiveren, omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 20 september 2022, waarbij de vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien betrokken waren. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.