Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
27 september 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte wegens Opiumwetmisdrijven heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de onttrekking aan het verkeer bevolen van inbeslaggenomen goederen die bestemd waren voor beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. De verdachte verzocht om een geldelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33c lid 2 in verbinding met artikel 36b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, omdat hij meende onevenredig getroffen te worden door de onttrekking.
Het hof wees dit verzoek af met het oordeel dat voor compensatie geen ruimte was omdat de goederen vanwege het ongecontroleerde bezit in strijd met de wet waren en artikel 33c Sr alleen betrekking zou hebben op verbeurdverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd, aangezien ook bij onttrekking aan het verkeer een geldelijke tegemoetkoming kan worden toegekend.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie (HR:2018:1156) waarin werd vastgesteld dat de beoordeling van onevenredige benadeling door onttrekking aan het verkeer moet plaatsvinden aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de waarde van de goederen en het gedrag van de eigenaar.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de beslissing over de geldelijke tegemoetkoming betrof en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het overige beroep werd verworpen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij onttrekking aan het verkeer en de mogelijkheid tot compensatie om onevenredige benadeling te voorkomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor wat betreft de afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.