ECLI:NL:HR:2022:1323

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
20/00548
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3.6.3 Procesreglement Hoge RaadArt. 432.2 SvArt. 511h SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken bewijsmiddelen bij schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene werd in hoger beroep veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op 35.600 gulden. Het hof baseerde de schatting op een financieel verslag, maar vermeldde niet de inhoud van de bewijsmiddelen waarop deze schatting was gebaseerd.

De raadsvrouw van de betrokkene verzocht op grond van het Procesreglement Hoge Raad om toezending van deze bewijsmiddelen, maar deze werden niet bij het arrest gevoegd. Een brief van de griffier bevestigde dat het arrest niet was aangevuld met de bewijsmiddelen.

De Hoge Raad oordeelde dat dit een schending van het procesrecht inhoudt, omdat het ontbreken van de bewijsmiddelen de toetsing van de schatting onmogelijk maakt. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting.

Andere cassatiemiddelen werden niet ontvankelijk verklaard of niet behandeld omdat ze niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 4 oktober 2022.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00548 P
Datum4 oktober 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 29 oktober 1999, nummer 21-001532-99, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsvrouw van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het bestreden arrest niet de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.
2.2
In het bestreden arrest is het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op
f35.600. Het arrest houdt onder meer het volgende in:
“De vaststelling van het voordeel
Voor de schatting van de omvang van het voordeel zoekt het hof aansluiting bij het financieel verslag van 23 juli 1998, B.F.O.-zaaknummer 9710002-2. In genoemd verslag is het voordeel berekend op een bedrag van f. 41.100,--. Het hof neemt die berekening over en maakt deze tot de zijne.
Het hof is van oordeel dat het in het financieel verslag opgenomen wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot zaak 37, f. 5.000,--, in mindering moet worden gebracht bij de bepaling van de omvang van het voordeel omdat aan de benadeelde derde, bij arrest van heden in de strafzaak, in rechte een vordering is toegekend met betrekking tot die zaak.
Voorts is het hof van oordeel dat blijkt uit het bovengenoemd verslag dat met betrekking tot zaak 38, f. 500,--, in mindering dient te worden gebracht bij de bepaling van de omvang van het voordeel omdat dit voor het plegen van het feit door de veroordeelde gemaakte kosten betreft.
Op grond van het vorenstaande en de hierna op te nemen bewijsmiddelen is het hof van oordeel, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat een bedrag van f. 35.600,-- beloopt.
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
(in deze verkorte beslissing zijn geen bewijsmiddelen opgenomen)”
2.3
De raadsvrouw van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden onder meer verzocht om de toezending van de voor het arrest gebruikte bewijsmiddelen. Bij de stukken bevinden zich die bewijsmiddelen niet, maar wel een brief van de griffier van het hof op grond waarvan moet worden aangenomen dat het arrest niet is aangevuld met de bewijsmiddelen.
2.4
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 oktober 2022.