Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 september 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor feitelijke aanranding van een 17-jarige jongen, zoals omschreven in artikel 246 Sr Pro. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte eerder veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij hij onder meer klachten uitte over het bewijs en de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer, alsmede over het DNA-bewijs.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft vervolgens de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om inhoudelijk in te gaan op de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarmee is het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het gerechtshof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in aanwezigheid van de waarnemend griffier J.D.M. Hart.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, waardoor het arrest van het gerechtshof Den Haag in stand blijft.