Belanghebbende werd voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met belastingrente. Na ontvangst van het bezwaarschrift op 24 januari 2019 stelde de Inspecteur belanghebbende in het gelijk bij uitspraak op bezwaar op 21 april 2020, waarbij ook een vergoeding van de kosten van bezwaar werd toegekend.
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar, met name over de hoogte van de vergoeding en verzocht vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank oordeelde dat de proceskostenvergoeding juist was, maar kende immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Inspecteur ging in hoger beroep en stelde dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat het geschil in bezwaar was beëindigd. Het Hof oordeelde dat de redelijke termijn pas eindigt bij uitspraak over het gehele geschil, inclusief proceskosten, en dat de termijn dus was overschreden.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof en de Rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigde dat de redelijke termijn doorloopt zolang het geschil dat partijen verdeeld houdt niet volledig is beslecht, maar in dit geval was het beroep ongegrond. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af.