Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juli 2020, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) ten laste van de betrokkene werd toegewezen. De betrokkene stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bedrag van het w.v.v. was vastgesteld, met name ten aanzien van de opbrengst van de eerste oogst en de verdeling van het voordeel over meerdere kwekers.
De Hoge Raad beoordeelde de motiveringsklachten en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde echter niet tot een ander rechtsgevolg in deze ontnemingszaak. In de samenhangende strafzaak wordt nog beoordeeld of compensatie noodzakelijk is.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof Amsterdam. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de strafkamer op 4 oktober 2022.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt ontnemingsvordering uit hennepkwekerij.