Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
11 oktober 2022.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld voor medeplegen van verkrachting. Het hof Arnhem-Leeuwarden had een gevangenisstraf van twintig maanden opgelegd. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen in, waaronder klachten over de bewijsmotivering en de strafmotivering.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsmotivering niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Dit leidde tot een gedeeltelijke vernietiging van het arrest, uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf. De straf werd verminderd van twintig maanden naar negentien maanden en twee weken. Het overige cassatieberoep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twintig maanden naar negentien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.