ECLI:NL:HR:2022:1437
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid kleinepensioenregeling in belastingverdrag Nederland-Duitsland
Belanghebbende, inwoner van Nederland, ontving in 2017 een AOW-uitkering en twee Duitse socialezekerheidspensioenen. De Inspecteur verleende geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de Duitse pensioenen omdat het gezamenlijke bedrag lager was dan €15.000, de grens van de kleinepensioenregeling in het belastingverdrag.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat deze regeling een onderscheid maakt tussen pensioenen tot en met €15.000 en boven dat bedrag, en dat dit onderscheid niet onredelijk is. Het Hof vond geen strijd met het discriminatieverbod van het EVRM, het Twaalfde Protocol of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten.
In cassatie stelde belanghebbende dat de regeling leidt tot ongelijke behandeling en discriminatie, en dat zijn positie verslechterde ten opzichte van het vorige verdrag. De Hoge Raad verwierp deze klachten, stellende dat de regeling gebaseerd is op doelmatigheid en uitvoerbaarheid en geen verboden onderscheid maakt.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de kleinepensioenregeling binnen het belastingverdrag Nederland-Duitsland.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de kleinepensioenregeling wordt bevestigd als rechtmatig.