Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
1 november 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit vuurwerkhandel. De betrokkene stelde dat het hof ten onrechte artikel 36e oud Sr niet toepaste en klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de toepassing van artikel 36e Sr niet tot vernietiging van het hofarrest leiden en dat hierover geen nadere motivering nodig is vanwege het belang voor de rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.
Dit leidde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en vermindering van het bedrag van €403.745 naar €398.745. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de Hoge Raad op 1 november 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €398.745 wegens overschrijding van de redelijke termijn.