ECLI:NL:HR:2022:1481

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
17 oktober 2022
Zaaknummer
21/01562
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 27.1 WWMArt. 55b.2 SvArt. 81.1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak voorhanden hebben vouwmes en MDMA bezit

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en het voorhanden hebben van een vouwmes. De verdachte stelde onder meer dat er sprake was van vormverzuimen bij de fouillering in het openbaar, omdat hij niet was staande gehouden of aangehouden voordat zijn kleding werd onderzocht.

Daarnaast voerde de verdediging een bewijsklacht aan met betrekking tot het voorhanden hebben van het vouwmes, waarbij werd betwist of uit de aard van het mes en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen kon worden afgeleid dat sprake was van een overtreding van artikel 27.1 van de Wet wapens en munitie.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest van het hof konden leiden. Het hof had de feiten en het bewijs voldoende zorgvuldig beoordeeld en de Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering, mede omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2021 in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor bezit van MDMA en voorhanden hebben van een vouwmes.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01562
Datum1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2021, nummer 23-001698-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 november 2022.