ECLI:NL:HR:2022:1482

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
17 oktober 2022
Zaaknummer
21/03013
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 140 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen invoer cocaïne en deelname criminele organisatie

In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne en deelneming aan een criminele organisatie die tot doel had het plegen van Opiumwetdelicten. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte veroordeeld en een gevangenisstraf opgelegd.

Verdachte stelde in cassatie onder meer dat niet bewezen kon worden dat hij wist van de aanwezigheid van cocaïne in een hydraulische cilinder, en dat het hof ten onrechte had geoordeeld over zijn deelneming aan de criminele organisatie. Daarnaast werd het oordeel van het hof over de matiging van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn bestreden.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Hiermee blijft het arrest van het hof Amsterdam van 16 juli 2021 in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen invoer cocaïne en deelneming aan een criminele organisatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03013
Datum1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2021, nummer 23-004509-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 november 2022.