ECLI:NL:HR:2022:1513
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beperkte cassatiemogelijkheid bij beoordeling Duitse uitkering onder Wet WIA
Belanghebbende, die van Nederland naar Duitsland verhuisde en daar werkte, ontving een Duitse uitkering (Elterngeld) tijdens haar Elternzeit en een ontslagvergoeding na beëindiging van haar Duitse dienstbetrekking. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 1 januari 2011 recht had op een WIA-uitkering, maar deze nihil was wegens het ontbreken van loon in het refertejaar.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en oordeelde dat de Duitse uitkering niet als loon in de zin van artikel 12 Wet Pro WIA kon worden beschouwd. Ook werd geoordeeld dat de ontslagvergoeding niet meetelde voor de dagloonberekening. Belanghebbende stelde vijf klachten in cassatie, waaronder de kwalificatie van de Duitse uitkering als loon en de toepassing van het Besluit dagloonregels.
De Hoge Raad beperkte zijn toetsing tot de wettelijk toegestane gronden en oordeelde dat de Centrale Raad geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven bij de uitleg van het loonbegrip. Klachten over de uitleg van Duits recht en toepassing van het Besluit dagloonregels konden niet tot cassatie leiden. Ook het beroep op Europese regelgeving en de Raamovereenkomst Ouderschapsverlof faalde.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijft in stand.