Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij verdachte werd veroordeeld voor medeplegen poging tot inbraak, poging tot zware mishandeling en het aanwezig hebben van GHB. In hoger beroep werden alleen de zaken betreffende zware mishandeling en GHB behandeld, terwijl het hof voor de poging tot inbraak een straf bepaalde zonder dat deze feitelijke beoordeling aan het hof was voorgelegd.
Het hof bepaalde de straf voor de poging tot inbraak op drie weken gevangenisstraf, waarbij het oordeelde dat geen ruimte bestond om een andere strafmodaliteit toe te passen dan de eerder opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest vanwege deze onjuiste toepassing van artikel 423 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof bij het bepalen van de straf voor feiten die niet aan zijn oordeel zijn onderworpen, geen nieuwe omstandigheden mag betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde waren. Wel staat het hof vrij een andere strafsoort toe te passen dan de eerste rechter heeft opgelegd. Door dit niet te erkennen, heeft het hof de wet onjuist toegepast.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafbepaling van de poging tot inbraak en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting en beslissing over de straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafbepaling van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.