ECLI:NL:HR:2022:1544

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
26 oktober 2022
Zaaknummer
21/03524
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag omzetbelasting gemeente

De zaak betreft een cassatieberoep van de gemeente tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente over het jaar 2013.

Eerder had de Hoge Raad bij arrest van 11 september 2020 een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Na behandeling oordeelde het Hof opnieuw in het nadeel van de gemeente.

De gemeente stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die de ingediende klachten heeft beoordeeld maar deze niet toereikend achtte om de uitspraak van het Hof te vernietigen. De Hoge Raad vond geen noodzaak tot motivering omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de gemeente is ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/03524
Datum28 oktober 2022
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 juli 2021, nrs. 20/00562 tot en met 20/00565 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 16/10292 en SGR 16/10293) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1407, is vernietigd de uitspraak van Gerechtshof Den Haag, nrs. BK-17/00961, BK-17/00962, BK-18/00002 en BK-18/00003 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door [P1], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2022.