Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
1 november 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van poging tot doodslag, gepleegd in 2020 te Didam, waarbij hij een ander meerdere malen tegen het gezicht sloeg en tegen het hoofd trapte terwijl het slachtoffer op de grond lag. Na een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2021, waarin verdachte werd veroordeeld, stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en daarbij de procureur-generaal de gelegenheid gegeven een advies uit te brengen. Omdat er geen schriftelijk standpunt van de procureur-generaal was ingediend, heeft de Hoge Raad op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het arrest is op 1 november 2022 gewezen door de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president V. van den Brink als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering aanwezig waren. Het beroep is daarmee definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO wegens het ontbreken van een schriftelijk standpunt van de procureur-generaal.