Deze zaak betreft de uitleg van de zogenoemde Xella-norm, die de gehoudenheid van werkgevers regelt om slapende dienstverbanden te beëindigen onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding. De werkneemster, sinds 1978 in dienst en langdurig arbeidsongeschikt, verzocht om beëindiging van haar dienstverband met wederzijds goedvinden en betaling van de transitievergoeding. Ammeraal weigerde dit, waarna de kantonrechter de vordering toewijst, maar het hof Amsterdam vernietigde dit oordeel.
Het hof oordeelde dat de werkgever alleen gehouden is tot beëindiging en vergoeding als deze aanspraak kan maken op compensatie van de transitievergoeding op grond van artikel 7:673e BW. Omdat de wet pas per 1 juli 2015 van kracht werd, zou bij slapende dienstverbanden die voor die datum zijn ontstaan geen compensatie mogelijk zijn, en dus geen verplichting tot beëindiging.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en verduidelijkt dat ook bij slapende dienstverbanden die voor 1 juli 2015 zijn ontstaan, de werkgever aanspraak kan maken op compensatie, mits het dienstverband op of na die datum wordt beëindigd. De compensatie wordt berekend met een fictieve bekorting tot het moment waarop de wachttijd eindigde, maar dit sluit compensatie niet uit. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling. De Hoge Raad veroordeelt Ammeraal in de kosten.