ECLI:NL:HR:2022:158
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ondanks schending hoor en wederhoor
Belanghebbende, sinds 2001 arbeidsongeschikt, ontving periodieke uitkeringen van het UWV en verzekeringsmaatschappijen. Het geschil betrof de vraag of deze uitkeringen als belastbaar inkomen uit werk en woning moeten worden gerekend. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat deze uitkeringen niet als vergoeding voor immateriële schade of letselschade kunnen worden aangemerkt en dus belastbaar zijn.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte de uitkeringen als belastbaar inkomen had aangemerkt en dat het Hof onterecht had afgezien van een mondelinge behandeling. De Hoge Raad oordeelde dat de kwalificatie van de uitkeringen als belastbaar inkomen juist is, omdat het gaat om periodieke uitkeringen krachtens verzekeringsovereenkomsten of publiekrechtelijke regelingen.
Hoewel het Hof de mondelinge behandeling had achterwege gelaten zonder belanghebbende te horen, wat in strijd is met artikel 8:57, lid 1, Awb, leidt deze procedurele schending niet tot vernietiging van het vonnis. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de belastingheffing over de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bevestigd.