Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
8 november 2022.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen en diefstal, en tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor twee jaren.
De aanvraag tot herziening betrof een nieuw gegeven gebaseerd op een arrest van de Hoge Raad in een andere strafzaak tegen dezelfde aanvrager, waarin werd gesteld dat de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de ISD-maatregel niet waren nageleefd.
De Hoge Raad oordeelde dat onder de term "een minder zware strafbepaling" in artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro uitsluitend een strafbepaling wordt verstaan die een minder zware straf bedreigt. Het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten van een sanctie valt hier niet onder.
Daarom was het aangevoerde gegeven niet toereikend om tot herziening te leiden. De aanvraag werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onjuiste toepassing van de minder zware strafbepaling bij de ISD-maatregel.