Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 november 2022.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor poging tot doodslag gepleegd in 2020 in Capelle aan den IJssel. Tegen dit arrest stelde verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Echter heeft verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn, waardoor het beroep niet ontvankelijk is verklaard.
De Hoge Raad toetst in deze zaak niet de inhoudelijke gronden van het beroep, maar beperkt zich tot de ontvankelijkheid. Volgens artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet een advocaat namens verdachte tijdig schriftelijk de klachten indienen. Dit is niet gebeurd, waardoor de Hoge Raad het beroep niet in behandeling kan nemen.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer C. Caminada, waarbij de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg aanwezig was. Het arrest bevestigt het belang van het naleven van procedurele termijnen in cassatiezaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen.