ECLI:NL:HR:2022:16

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
20/01948
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 414 lid 1 SvArt. 11a OpiumwetArt. 11, derde lid OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over bewijs en processtukken in hennepteeltzaak

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 30 augustus 2018 in Woudenberg voorwerpen bij zich had die bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten volgens de Opiumwet, met name voor hennepteelt. De verdediging voerde aan dat deze voorwerpen bestemd waren voor een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië waarvan verdachte mede-eigenaar was.

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het bewijs beoordeeld en geoordeeld dat de verdediging onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrijf in Kroatië een vergunning had voor legale hennepteelt. De stukken die de verdediging overlegde waren deels in het Kroatisch en niet vertaald, en het hof vond het niet noodzakelijk deze te laten vertalen. Het hof verwierp het verweer van de verdediging en verklaarde verdachte schuldig.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof de stukken niet had betrokken bij zijn beraadslaging, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk kennis had genomen van de stukken en dat het niet verplicht was nader in te gaan op de inhoud. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het oordeel van het hof. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat verdachte onvoldoende aannemelijk maakte dat de voorwerpen bestemd waren voor een legaal hennepteeltbedrijf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01948
Datum18 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juni 2020, nummer 21-005763-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de door de verdediging ter terechtzitting van het hof van 5 juni 2020 overgelegde stukken (deels) niet bij zijn beraadslaging heeft betrokken.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 30 augustus 2018 te Woudenberg voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten een tijdschakelkast en drie koolstoffilters en vijverfolie en 2 dozen assimilatielampen waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
2.3
Het hof heeft het volgende overwogen met betrekking tot het bewijs:
“De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte geen criminele intentie had tot illegale hennepteelt, dan wel wetenschap of een ernstig vermoeden had bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van een illegale hennepteelt. De raadsman heeft bepleit dat verdachte de goederen slechts bij zich had ten behoeve van een door hem legaal in Kroatië opgezette bedrijf in hennepteelt.
(...)
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
(...)
Verdachte heeft bij de politie en bij de politierechter verklaard dat hij op 30 augustus 2018 voorwerpen voorhanden heeft gehad, die gebruikt kunnen worden bij het opzetten van een hennepkwekerij. De verdachte heeft daartoe verklaard dat hij de aangetroffen goederen had verzameld voor zijn bedrijf in Kroatië waar hij legaal hennep kweekt.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 31 januari 2020 heeft verdachte verklaard dat hij mede-eigenaar was van het bedrijf [A] BV in Kroatië. Verdachte heeft verklaard dat het een legale onderneming in Kroatië betreft en dat hij dit met stukken kon onderbouwen. Het hof heeft vervolgens op de terechtzitting van 31 januari 2020 de behandeling van de zaak aangehouden om de verdediging in gelegenheid te stellen relevante stukken aan het hof over te leggen. Hierbij ging het om stukken die de juistheid van hetgeen verdachte heeft aangevoerd aannemelijk konden maken. De stukken moesten daarbij in het Nederlands zijn vertaald. Ter terechtzitting in hoger beroep op 5 juni 2020 heeft de verdediging aanvullende stukken aan het hof overgelegd. Uit de stukken blijkt weliswaar dat sprake is van een onderneming, maar naar het oordeel van het hof blijkt geenszins dat deze onderneming een vergunning heeft (gehad) voor het legaal telen van hennep in Kroatië dan wel dat verdachte anderszins toestemming heeft gekregen van de autoriteiten in Kroatië voor het telen van hennep. Uit de stukken blijkt zelfs niet dat het bedrijf hennep produceert. De stukken zijn pas ter zitting overgelegd en waren grotendeels niet in het Nederlands vertaald. Het hof is dan ook van oordeel dat door de verdediging onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte mede-eigenaar was van een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië. Aldus is het hof van oordeel dat het verweer van verdediging inhoudende dat verdachte de aangetroffen voorwerpen enkel bij zich had ten behoeve van een door hem legaal in Kroatië opgezet bedrijf in hennepteelt en hij derhalve geen criminele intentie had, niet aannemelijk is geworden.”
2.4
Op grond van artikel 414 lid Pro 1, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid kan in voorkomende gevallen door de rechter worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daarover valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken (vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1503). Als bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte nadere bescheiden of stukken van overtuiging worden overgelegd, zal de rechter de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging moeten betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709).
2.5
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2020 blijkt dat het hof het onderzoek heeft geschorst op verzoek van de verdediging om haar in de gelegenheid te stellen bepaalde stukken – vertaald in het Nederlands – uiterlijk twee weken voor de nieuwe zittingsdatum aan het hof toe te sturen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2020 blijkt dat door de verdediging geen vertaalde stukken zijn toegestuurd, maar dat door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting stukken zijn overgelegd en dat deze stukken door het hof zijn bekeken. De betreffende stukken zijn als producties aan de pleitnota van de raadsman gehecht. Het gaat om vijf producties, opgesteld in de Nederlandse, Engelse en Kroatische taal, van in totaal 67 pagina’s. De verdediging heeft op die terechtzitting te kennen gegeven de inhoud van de in het Kroatisch gestelde stukken niet te kunnen weergeven en zij heeft geen concrete passages uit de betreffende stukken benoemd waaruit het legale karakter van de werkzaamheden van de Kroatische handelspartner van de verdachte zou kunnen worden afgeleid.
2.6
Met zijn in 2.3 weergegeven overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het kennis heeft genomen van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2020 overgelegde stukken en van wat de verdediging over de inhoud daarvan heeft opgemerkt, en dat het op grond daarvan heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk was die stukken te laten vertalen. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, mist het feitelijke grondslag. Mede gelet op de onder 2.5 weergegeven omstandigheden, was het hof niet gehouden nader in te gaan op de inhoud van de stukken.
2.7
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.8
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.E.M. Röttgering, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 januari 2022.