Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 januari 2022.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 30 augustus 2018 in Woudenberg voorwerpen bij zich had die bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten volgens de Opiumwet, met name voor hennepteelt. De verdediging voerde aan dat deze voorwerpen bestemd waren voor een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië waarvan verdachte mede-eigenaar was.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het bewijs beoordeeld en geoordeeld dat de verdediging onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrijf in Kroatië een vergunning had voor legale hennepteelt. De stukken die de verdediging overlegde waren deels in het Kroatisch en niet vertaald, en het hof vond het niet noodzakelijk deze te laten vertalen. Het hof verwierp het verweer van de verdediging en verklaarde verdachte schuldig.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof de stukken niet had betrokken bij zijn beraadslaging, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk kennis had genomen van de stukken en dat het niet verplicht was nader in te gaan op de inhoud. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het oordeel van het hof. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat verdachte onvoldoende aannemelijk maakte dat de voorwerpen bestemd waren voor een legaal hennepteeltbedrijf.