ECLI:NL:HR:2022:1612

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
21/04050
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:852 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling en verwerping cassatieberoep inzake uitleg borgstellingsovereenkomst

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de eiser, de borg, tegen ABN AMRO Bank N.V. behandeld. Het geschil betreft de uitleg van een particuliere borgstellingsovereenkomst en de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam.

De Hoge Raad heeft de klachten van de borg over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het beantwoorden van de vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de borg veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, waarbij de kosten aan de zijde van ABN AMRO zijn begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Het arrest is uitgesproken door raadsheer F.J.P. Lock en gewezen door de raadsheren C.E. du Perron (voorzitter), A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de borg wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/04050
Datum11 november 2022
ARREST
In de zaak van
[De Borg],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [De Borg],
advocaat: D.A. van der Kooij,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: F.E. Vermeulen.

1.Procesverloop in cassatie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/641486 / HA ZA 18-38 van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2018 en 28 november 2018;
b. het arrest in de zaak 200.252.367/01 van het gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2021.
[De Borg] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ABN AMRO heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor ABN AMRO toegelicht door haar advocaat, en mede door B.F.L.M. Schim en A.G. Colenbrander.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.
De advocaat van [De Borg] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [De Borg] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
11 november 2022